In het eerste artikel van dit tweeluik over onderzoeker Alexander Smit van de Rijksuniversiteit Groningen kwam naar voren dat digitale inclusie vaak wordt gezien als een technisch probleem. Toegang tot apparaten en digitale vaardigheden lijken daarbij de sleutel tot meedoen. Maar uit het onderzoek van Smit blijkt dat er nog een andere factor een belangrijke rol speelt: sociale cohesie.
“In mijn proefschrift gebruik ik bewust de term sociaal-digitale inclusie”, legt Smit uit. “Voordat iemand digitaal mee kan doen, moet iemand eerst contact hebben met anderen. Mensen hebben een netwerk nodig waar ze hulp kunnen vragen. Ze moeten weten bij wie ze terecht kunnen. Er moet vertrouwen zijn.”
Digitaal meedoen wordt moeilijker als iemand zo’n netwerk mist. Hulp vragen, weten waar je moet zijn en snappen hoe je een probleem kunt oplossen is zonder netwerk vrijwel niet mogelijk. Daarmee stelt Smit dat sociaal kapitaal de basis vormt om digitaal mee te doen. “Met een sociaal vangnet verloopt het proces van digitaal meedoen vaak een stuk makkelijker.” Een sterk verband tussen sociale én digitale inclusie dus.
Wanneer digitalisering sociale contacten verdringt
Dat sociale aspect speelt niet alleen bij het oplossen van digitale problemen, maar kan ook invloed hebben op bestaande sociale relaties. “In één van onze onderzoeken vertelde een vrouw bijvoorbeeld dat ze altijd uitkeek naar het moment dat haar sociaal werker langskwam voor een kopje koffie”, vertelt Smit. “Dat was één van haar weinige sociale contacten.” Maar naarmate steeds meer zaken digitaal geregeld moesten worden, veranderde dat moment.
“Op een gegeven moment ging bijna dat hele uur op aan digitale problemen: wachtwoorden achterhalen, toegang tot DigiD krijgen en formulieren invullen. De tijd voor het echte gesprek verdween.” Volgens Smit laat dit voorbeeld zien dat digitale problematiek verder reikt dan alleen technologie. “Digitale problemen kunnen sociale relaties verdringen. Tijd die eerst werd besteed aan persoonlijk contact gaat steeds vaker op aan het oplossen van digitale bureaucratie.”
De verborgen kosten van digitalisering
Hoewel digitalisering vaak wordt gepresenteerd als efficiënter en goedkoper, blijven de maatschappelijke kosten volgens Smit grotendeels onzichtbaar. “Er wordt bijna nooit berekend hoeveel digitalisering de samenleving uiteindelijk kost als mensen vastlopen”, zegt hij. “Als die kosten wel zichtbaar zouden worden, zouden veel bestuurders waarschijnlijk schrikken.”
Denk bijvoorbeeld aan de tijd die sociaal werkers, vrijwilligers en familieleden besteden aan het oplossen van digitale problemen. Of aan situaties waarin mensen belangrijke zaken mislopen omdat ze digitale systemen niet kunnen gebruiken. Deze kosten zijn moeilijk zichtbaar te maken, maar hebben volgens Smit wel degelijk impact op de samenleving.
Een nieuwe digitale klassenstrijd
Smit ziet in de digitalisering van de samenleving zelfs een bredere ontwikkeling ontstaan. “Je zou kunnen spreken van een soort moderne klassenstrijd”, zegt hij. “Aan de ene kant heb je mensen die beschikken over digitale vaardigheden, middelen en netwerken. Aan de andere kant heb je mensen die dat niet hebben.” Die kloof wordt volgens hem steeds groter.
“Zoals de Ombudsman ooit zei: de armste mensen ervaren de rijkste bureaucratie. Juist zij moeten door de meeste digitale procedures heen.” Waar digitalisering voor sommige mensen gemak oplevert, kan het voor anderen juist een extra barrière vormen.
4,5 miljoen Nederlanders
De groep mensen die moeite heeft om mee te komen in de digitale samenleving is bovendien groter dan vaak wordt gedacht. “We spreken over ongeveer 4,5 miljoen mensen in Nederland”, zegt Smit. Die groep is zeer divers. Het gaat onder meer om mensen met beperkte basisvaardigheden, mensen met een beperking, mensen die leven in armoede, maar ook mensen die in instellingen verblijven of in detentie zitten. “Het is dus geen kleine of afgebakende groep. Het gaat om een groot en breed deel van de samenleving.”
De rol van maatschappelijke organisaties
Volgens Smit spelen maatschappelijke organisaties een belangrijke rol in het zichtbaar maken van de problematiek. “Ik denk dat het belangrijk is dat organisaties samen optrekken en de problematiek onder de aandacht brengen”, zegt hij. Daarnaast is er volgens hem nog relatief weinig kennis over de barrières die mensen ervaren wanneer zij digitale systemen proberen te gebruiken.
“Mensen ontwikkelen vaak zelf creatieve manieren om digitale problemen te omzeilen. Maar daar wordt zelden naar gevraagd.” Juist daar ligt volgens Smit een belangrijke kans. “Als organisaties beter begrijpen hoe mensen zelf omgaan met digitale systemen, kunnen ze daar ook beter op inspelen.” Digitale inclusie vraagt volgens hem daarom niet alleen om technologie of vaardigheden, maar ook om aandacht voor de sociale context waarin mensen proberen mee te doen, zoals hij in het eerdere interview ook toelichtte.
Over Alexander Smit
Alexander Smit is onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen en houdt zich bezig met vraagstukken rondom digitale inclusie en digitale laaggeletterdheid. In zijn werk onderzoekt hij hoe mensen met beperkte basisvaardigheden omgaan met een steeds verder digitaliserende samenleving. Zijn onderzoek richt zich vooral op het spanningsveld tussen beleid rondom digitalisering en de dagelijkse realiteit van burgers die moeite hebben om digitaal mee te komen.
Over dit tweeluik
In het eerste artikel van dit tweeluik sprak Allemaal Digitaal met onderzoeker Alexander Smit over de onbesproken normen van digitaal meedoen. Daarin werd duidelijk dat digitale inclusie vaak wordt benaderd als een technisch vraagstuk, terwijl systemen ook bepalen hoe mensen geacht worden digitaal te participeren.
In dit tweede artikel verschuift de focus naar het sociale aspect van digitale inclusie. Wat gebeurt er wanneer mensen geen netwerk hebben om hulp te vragen? En welke rol spelen sociale relaties, vertrouwen en maatschappelijke organisaties wanneer burgers proberen mee te komen in een steeds digitalere samenleving?



